Meditatie

Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?
(Ps. 42:3)

Het zielsverlangen naar de levende God.
Hoe komt het toch, dat deze bekende 42e psalm zo veel en zo graag gelezen en gezongen wordt? Dat komt, omdat het zo’n herkenbare psalm is, voor allen die de HEERE vrezen. Het is hoogst waarschijnlijk David, die deze psalm dicht als hij op de vlucht is voor koning Saul en rondzwerft in het hoge gebergte in het noorden van Israel. En daarom is het voor David onmogelijk om te gaan naar Gods heiligdom, om daar de HEERE te ontmoeten.

En toch, juist dát is het waar David zo sterk naar verlangt! Dáárom immers vergelijkt hij zichzelf met een hert dat in grote droogte dreigt om te komen, en in doodsnood schreeuwt om levenreddend water! Alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!  En om de diepte van zijn verlangen te onderstrepen, herhaalt hij in dit vers het voorafgaande vers in andere woorden: Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God
Herkent u zich in David, en kent u ook datzelfde zielsverlangen naar de levende God?
Dit zielsverlangen naar de levende God is een grondtrek in het geestelijk leven van al Gods kinderen. Wanneer de Heilige Geest ons hart vernieuwt, en wanneer Hij de liefde van God in ons hart uitstort; dan wordt dit zielsverlangen naar de levende God geboren. Dan ga je zien dat je God kwijt bent, om eigen schuld. En dat er door mijn zonde een oneindige kloof gekomen is tussen de HEERE en mij. En toch, juist omdat je de HEERE niet meer missen kunt is er in je hart de droefheid naar God: Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God.
Ja, denkt u mogelijk. Maar, hoe zal dat toch kunnen? Ik kan immers voor die heilige God niet bestaan, vanwege al mijn zonden. Hoe kan ik Hem dan tóch leren kennen?
Luister maar naar David: wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?

Wat bedoelt David? Wel, David verlangt ernaar om naar het heiligdom te gaan, naar de tabernakel. Om voor Gods aangezicht te verschijnen.
Dat betekent heel in het bijzonder: verschijnen voor de ark! De ark, waarin de 2 stenen tafelen van de wet liggen. Waarop het verzoendeksel ligt, waarop jaarlijks op de grote verzoendag het bloed van het offer wordt gesprenkeld door de hogepriester. Dat is in het bijzonder de plaats waar de HEERE Zich wil openbaren als een genadig God voor zondaren. Daarvan heeft Hij gezegd: En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken, van boven het verzoendeksel af.  Ja, en daarop is dat dorstend verlangen van David gericht! Hij weet, alleen dáár is de God van Israel te ontmoeten, als een genadig en ontfermend God, voor verloren zondaren! Begrijpt u de betekenis van deze woorden in het licht van het Nieuwe Testament?

David verlangt naar God in Christus! De ark en het verzoendeksel, het wijst alles vooruit naar Jezus Christus! Hij is de grote Ark der behoudenis! Hij heeft Gods heilige wet in Zijn ingewand gedragen, en volkomen vervuld! Hij heeft ook de vloek van die wet gedragen, door Zijn eigen bloed te geven aan het kruis van Golgotha!
En nu kunnen verloren zondaren, die dorsten naar de levende God, Hem alleen ontmoeten in en door het werk van Jezus Christus! Kom, dorstende zondaar, Christus roept en nodigt om door Hem tot God te gaan: Indien iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke! U mag komen, om te drinken van het water des levens, om niet! Want bij Hem is de Fontein des levens! Ja, alleen door het bloed der verzoening, kunnen verloren zondaren de HEERE ontmoeten. Dat weet David heel goed. En daarom roept hij: wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?

En nu is Davids zielsverlangen een blijvende grondtrek in het leven van al Gods kinderen. Wanneer we zijn afgedwaald van de HEERE, wanneer we weer opnieuw ons hebben weg gezondigd uit Zijn gemeenschap. En wanneer Hij ons dan weer opzoekt, dan ervaren we opnieuw dat dorstend verlangen naar God in Christus, vanwege Zijn trekkende liefde: wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? Dan is het ons zielsverlangen om die levende God opnieuw, in en door Christus Jezus, te mogen ontmoeten als een genadig en ontfermend God. Wat is David hier herkenbaar, voor allen die de HEERE vrezen.  Ook voor u? Of, dorst u nog steeds naar de zonde, naar de wereld? Bedenk toch; díe dorst zal nooit gelest worden. Ze brengt uiteindelijk op de plaats waar eeuwige dorst is.

Kom, ook u wordt geroepen door God in Christus. En Hij sluit niemand buiten in Zijn nodiging: En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet. En wie hier eenmaal een druppel van dit water des levens geproefd heeft, diens dorst zal eenmaal eeuwig ten volle gelest worden! Omdat Christus belooft heeft: zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Ja, het zielsverlangen naar de levende God in Christus, zal eenmaal eeuwig vervuld worden! Want die heimwee hebben, komen straks eeuwig Thuis.

Kruiningen, kand. G. Kater