Meditatie


Het Woord is vlees geworden

 

En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid. (Johannes 1:14)

 

De zegen van Kerst is de geboorte van de Heere Jezus. Het Woord is vlees geworden. In de eerste verzen van hoofdstuk vertelt Johannes dat het Woord bij God was en Zelf ook God was. Door het Woord zijn de hemel en aarde gemaakt. Johannes schildert hier in woorden dat de Zoon van God van eeuwigheid af met de Vader is in hemelse heerlijkheid. Maar wat lezen we dan in vers 14? Het Woord, deze enige en eeuwige Zoon van God, is vlees geworden. Wat een wonder is dat! God werd mens.

Toch schrijft Johannes het zo niet op. Hij zegt dat het Woord vlees is geworden. Wat moeten wij daaronder verstaan? De apostel Paulus gebruikt dit woord ook wel in zijn brieven. “Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont.” Paulus denkt dan een het door de zonden bedorven menselijk vlees. Maar dat bedoelt Johannes hier niet. Als hij het heeft over vlees bedoelt hij het sterfelijke en vergankelijke van de mens. De Heere Jezus is echt mens geworden. Hij heeft een sterfelijk lichaam.

Kunt u dat begrijpen? En jij? Dat de Zoon van God mens werd. Dat hij vergankelijk vlees heeft aangenomen. Is er een groter verschil denkbaar dan tussen de glorie die het Woord bij de Vader had en het vlees dat Hij heeft aangenomen? Is er een groter verschil denkbaar dan tussen de hemelse gewesten en de door de zonden geschonden aarde? Hij kwam in een wereld waarin zowel de wrede koning Herodes als de met haat vervulde farizeeën Hem om wilden brengen. In een wereld waarin de schare het ene moment de palmtakken in de hand neemt en het ‘Hosanna’ uitroept, terwijl even later diezelfde schare het ‘kruist Hem’ in de mond neemt. Wat heeft de Zoon van God Zich diep, ja onpeilbaar diep, willen vernederen.

Waarom heeft de Zoon van God Zich zo diep vernederd? Om zondaren zalig te maken. Bij Kerst worden wij herinnerd aan onze afkomst. Aan onze zondeschuld. Alleen door sterfelijk en vergankelijk vlees aan te nemen heeft de Zoon van God de last van de toorn van God over de zonde kunnen dragen. De mens was immers gevallen en alleen in de natuur waarin de zonde bedreven was – de menselijke natuur – kon voor de zonde betaald worden. En daar was nu geen mens toe in staat. Alleen een Zaligmaker die waarachtig God en tegelijkertijd ook waarachtig en rechtvaardig mens was, kon de straf op de zonde dragen door te lijden en te sterven in plaats van Zijn volk.

Hij heeft onder ons gewoond. Het woord dat hier in het Grieks gebruikt wordt, kan ook vertaald worden met ‘en heeft onder ons in een tent (of in een tabernakel) gewoond. En bij dat woord ‘tabernakel’ moeten we onwillekeurig denken aan de woestijnreis van het volk Israël. Om het verband tussen de tabernakel en Johannes 1:14 scherper te krijgen, moeten we letten op het woord ‘heerlijkheid’. In het Oude Testament, in Exodus 40:34, staat: “Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde de tabernakel.” De tabernakel was het zichtbare teken van het feit dat de Heere te midden van het volk Israël woonde. Telkens als het volk verder trok de woestijn in ging ook de tabernakel mee.

En hier, in Johannes 1:14, lezen we hoe de Heere Zelf in Zijn Zoon Jezus Christus onder de mensen is komen wonen. In Hem wordt de heerlijkheid des HEEREN zichtbaar; niet in een wolk boven de tabernakel, maar in lichamelijke gestalte als het vleesgeworden Woord. In de gekomen Messias heeft God Zijn tent onder de mens opgeslagen. En dat niet voor een korte tijd. De woorden ‘en heeft onder ons gewoond’ zien niet alleen op Zijn geboorte, maar op Zijn hele leven op deze aarde. Wat is de Heere nabij gekomen. Immanuël. God met ons.

Wie worden bedoeld met die ‘wij’ waarover Johannes spreekt? Het zijn de discipelen. Het zijn de oog- en oorgetuigen van het vleesgeworden Woord. Maar wanneer hebben zij Zijn heerlijkheid gezien? Op de berg van de verheerlijking? Toen ook. Maar we mogen dit veel breder trekken. Denk maar aan het eerste teken van de Heere Jezus dat Johannes beschrijft in hoofdstuk 2. Het is het teken van de verandering van water in wijn op de bruiloft in Kana. Daar lezen we in vers 11: “Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en Hij heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.” De apostel Johannes denkt aan het hele leven van de Heere Jezus. Aan de wonderen die Hij gedaan heeft. Aan de woorden die Hij gesproken heeft. Het menselijk vlees heeft de schittering van deze glorie en heerlijkheid niet kunnen tegenhouden.

Hoe moeten we ons deze schittering van Zijn heerlijkheid voorstellen. Heeft de Heere Jezus gedurende Zijn omwandeling op aarde een stralenkrans rond Zijn hoofd gehad? Nee, dat lezen we niet in Gods Woord. Er zijn er ten tijde van de Heere Jezus velen, zeer velen, geweest die deze heerlijkheid totaal niet hebben opgemerkt. Mensen die spraken over de Zoon van Jozef, de timmerman. Mensen die Hem zagen als een belangrijke rabbi. Mensen die zich vergaapten aan de wonderen die Hij deed, maar die nooit Zijn heerlijkheid gezien hebben.

Deze heerlijkheid wordt slechts gezien met ogen van het geloof. Dat bleek ook duidelijk uit Johannes 2:11. Het zien van de heerlijkheid van Christus gaat samen met het geloof in Hem. Als de Heilige Geest onze ogen opent, zien we niet alleen dat wij van nature vijanden van God en van Christus zijn. Dan zien we ook dat Hij de Eniggeborene van de Vader is. Dat Hij vol van genade en waarheid is. Dan zien we pas hoe diep Hij Zich heeft willen vernederen voor een mens zoals ik ben. Heeft u al heerlijkheid in deze Christus gezien? Heb jij Hem al in het geloof mogen omhelzen?

We wensen elkaar in deze dagen vaak gezegende Kerstdagen toe. En dat is een goed gebruik. Maar weet u wanneer u pas gezegende Kerstdagen hebt? Als u het Kind in de kribbe ziet met ogen van het geloof. Als u – tegen de donkere achtergrond van uw vleselijk bestaan – iets van de heerlijkheid van het vleesgeworden Woord ziet. Om dan voor het eerst of weer opnieuw in Hem al uw heil en zaligheid te vinden.

 

Ds. D.J. Diepenbroek